Methoden

Onderzoeksmethoden

Er wordt op verschillende manieren onderzoek gedaan naar lepelaars in Nederland

Tellingen broedparen en bepalen broedsucces

Allereerst monitoren we de populatieontwikkeling en verspreiding van de lepelaars. Dit betekent dat we in samenwerking met terreinbeheerders en vrijwilligers tellingen uitvoeren en verzamelen van de Nederlandse kolonies en zo goed mogelijk het aantal uitvliegende jongen bepalen. Jaarlijks ontstaat zo, in goed overleg met Sovon, een vrijwel volledig beeld van het wel en wee van de Nederlandse lepelaarpopulatie.

Kleurringen

Met name lepelaars worden in de Nederlandse broedkolonies al meer dan 40 jaar gekleurringd. Het aflezen van de kleurringen wordt door meer dan duizend toegewijde vrijwilligers gedaan. Gegevens over deze gekleurringde lepelaars worden opgeslagen in een database, daarin worden door de werkgroep gegevens beheerd van Lepelaars die geringd zijn vanaf 1972. De Nederlandse Werkgroep Lepelaar beheert ook data van in België en in Duitsland geringde Lepelaars en werkt samen met andere ringgroepen binnen Europa en daarbuiten. Daarnaast wordt een deel van de lepelaar-jongen van de ondersoort balsaci in Mauretanië van kleurringen voorzien.

Na een aantal jaren konden we met deze gegevens gaan rekenen. Zo blijkt dat de overleving afhankelijk is van de dichtheid waarin de lepelaars voorkomen. De reden hiervoor is waarschijnlijk competitie om voedsel. De overleving wordt duidelijk minder naarmate de lepelaar-aantallen toenemen. Er is een verschil in overleving tussen adulten en juvenielen. De hoogste sterfte onder juvenielen vindt na het broedseizoen plaats, op hun eerste tocht naar het zuiden. Adulten hebben de hoogste mortaliteit op de terugweg van west Afrika naar Nederland. Inmiddels is aangetoond dat er een verschuiving gaande is van overwinteren in West-Afrika naar Portugal en Spanje.

Soms vraagt men zich af of voortzetting van onderzoek nog nodig is, met bijvoorbeeld het argument “we weten toch alles al”. Ten eerste weten we nog heel veel niet, maar ook zaken die al wel bekend zijn kunnen weer veranderen; zoals de verschuiving van het overwinteringsgebied van Afrika naar Europa, gekoppeld aan een verschil in overlevingskansen. Juist lange termijn kleurring-onderzoek levert onschatbare gegevens op over onder meer (veranderingen in) overleving, leeftijdsopbouw, trek-strategie en habitatkeuze.

Zenderwerk

Op Schiermonnikoog heeft een aantal lepelaars een zender op gekregen, een zogenaamde UvA-bits logger die iedere 10 minuten GPS coördinaten doorgeeft. Dankzij de zenderdata weten we nu dat alle lepelaars hun eigen gebied hebben waar ze eten (foerageren). In de kolonies zitten de mannen overdag op het nest en gaan ‘s nachts eten. De gezenderde mannetjes van Schiermonnikoog gaan daarvoor iedere nacht naar de overkant om daar hun voedsel uit het Lauwersmeer te halen. De vrouwtjes eten overdag met laag water op het wad en hebben allemaal weer hun eigen vaste stukje wad. Dit zijn dingen die we nooit zouden weten als we die zenders niet op hadden gedaan. De lepelaars zijn dus heel erg plaatstrouw.

In Nederland kan men nog veel gegevens verzamelen zonder zenders te gebruiken, maar de wereld van de Lepelaar is veel groter. Wat de lepelaars doen op hun trekroute, welke (voor ons) onbereikbare gebieden ze nodig hebben om te overwinteren op de trekroute en waar ze overwinteren wordt in kaart gebracht met deze zenders. Onder meer om allerlei bedreigingen die wij mensen op deze vogels loslaten te ontrafelen, is dit soort onderzoek onmisbaar.

Daarnaast hopen de onderzoekers beter te begrijpen of de grote individuele variatie in trekroutes vooral wordt bepaald door genetische variatie of door de variatie in de omgevingsfactoren, zoals windrichting en -snelheid, voedselaanbod, maar ook door het gedrag van soortgenoten, die de vogels vóór en tijdens hun eerste trek naar het zuiden ervaren.

Zenders leveren veel data op, maar hebben tevens hun beperkingen. Ze geven bijvoorbeeld geen informatie over de terreinomstandigheden van de plek waar de lepelaar is en of deze alleen of in een groep foerageert. Die informatie moet weer ‘op de grond’ worden verzameld. Dat gebeurt in de praktijk in samenwerking tussen de onderzoekers en beheerders en een groot netwerk aan vrijwilligers op de hele trekroute.

Een foto van een lepelaar met zender op de rug

Foto: Kees Vliet Vlieland

Een foto van een lepelaar met zender op de rug

Foto: Kees Vliet Vlieland

Een foto van een lepelaar met zender op de rug

Gezenderde lepelaar Ravi op de foto gezet bij Westkapelle - Foto: Kees Vliet Vlieland

Voedsel

Recent voedselonderzoek op de Waddeneilanden heeft aan het licht gebracht dat in de broedtijd niet garnalen het hoofdvoedsel zijn maar visjes zoals grondels, stekelbaars en jonge platvis. Hiervoor werden voedselresten geanalyseerd die jonge lepelaars soms uitbraken bij verstoring. Jarenlang werd gedacht dat garnalen het hoofdbestanddeel vormden omdat deze prooi het best zichtbaar is in de voedselresten. Nauwkeurige analyses gaven dus een ander beeld. Het geeft meteen wel een verklaring waarom de lepelaarpopulatie op de Wadden relatief snel aan zijn plafond lijkt te zitten. Jonge platvis en andere kleine vis blijkt de laatste jaren behoorlijk schaars in de Waddenzee, in tegenstelling tot garnalen.

Internationaal

Onderzoek aan lepelaars vind ook plaats in andere landen. De verschillende onderzoekers en werkgroepen hebben zich verenigd in de Eurasian spoonbill international expert group (ESIEG). Deze groep, opgericht in 1991 om de internationale achteruitgang van de soort tot staan te brengen, komt elke drie jaar bijeen om onderzoeksresultaten te delen en te bediscussiëren en zij heeft een internationaal actieplan voor de soort ontwikkeld.

LINK: Facebookpagina van de ESIEG

Uitgangspunten

Nu verkeren we als natuurbeheerders en onderzoekers in de gelukkige omstandigheid dat we onder andere weten:

  • hoe nieuwe vestigingen van kolonies tot stand komen (waar komen de immigranten vandaan, blijven individuen na vestiging terugkomen, hoe zijn de vestigingen op verschillende plekken met elkaar verbonden);
  • dat kolonies op de Waddeneilanden na een aantal jaren snelle groei opmerkelijk snel een plafond bereiken;
  • dat dit te maken heeft met dichtheidsafhankelijke (hoogstwaarschijnlijk voedselgestuurde) processen die maken dat de groei en het broedsucces bij groeiende kolonies snel afnemen;
  • dat voor lepelaars (in elk geval op de Wadden) garnalen veel minder belangrijk zijn als voedsel dan we dachten, en de schaarse kleine vissen juist veel belangrijker;
  • dat de kolonie van Schiermonnikoog haar huidige grootte al rond het jaar 2000 bereikte, en dat die mogelijk is dankzij het feit dat de mannetjes lepelaars ’s nachts hun vis gaan halen in de visrijke ondiepe wateren van het Lauwersmeer;
  • dat de meeste sterfte van uitgevlogen jongen plaatsvindt in het broedgebied en tijdens hun eerste trek naar het zuiden (60% haalt de eerste winter niet), en dat deze sterfte is toegenomen van 30% bij 1200 broedparen tot 60% bij 2800 broedparen;
  • dat lepelaars weliswaar in grote aantallen in West-Afrika overwinteren (en dan met name in Mauritanië en Senegal), maar steeds meer in Europa ‘blijven hangen’ waar de overleving hoger is dan in West-Afrika.